Stabiele maar afnemende bbp-groei, ondersteund door solide fundamentele factoren en overheidsinvesteringen
De economische vooruitzichten voor Nederland in 2026 en 2027 zullen naar verwachting gematigder zijn, nadat het land sinds de pandemie over het algemeen beter presteerde dan zijn Europese tegenhangers. De particuliere consumptie, die een belangrijke motor van de groei is geweest – met een reële consumptiegroei van ongeveer 1,7% in 2025 – lijkt aan kracht in te boeten. Een geleidelijke stijging van de werkloosheid – die naar verwachting weliswaar op een beheersbaar niveau zal blijven in vergelijking met het verleden – in combinatie met een vertraging van de werkgelegenheidsgroei, zal waarschijnlijk het consumentenvertrouwen onder druk zetten. Deze ontwikkelingen op de arbeidsmarkt, in combinatie met hernieuwde prijsdruk, zullen naar verwachting de reële koopkracht uithollen en het consumentenvertrouwen temperen. Ook hogere rentetarieven zullen de discretionaire bestedingen waarschijnlijk steeds meer beperken, met name voor rentegevoelige uitgavenposten. Overheidsmaatregelen ter ondersteuning van de inkomens van huishoudens zouden deze tegenwind gedeeltelijk moeten temperen, terwijl stijgende overheidsuitgaven en aanhoudende investeringen – met name op het gebied van defensie – voor enig tegenwicht zullen zorgen. Niettemin zal de totale groei van de binnenlandse vraag naar verwachting afvlakken.
De vooruitzichten voor particuliere investeringen worden eveneens vertroebeld door een onzekerder economisch klimaat. Hogere energieprijzen, gestegen financieringskosten en een geleidelijke afname van de bedrijfswinsten die de afgelopen jaren is waargenomen, zullen naar verwachting druk uitoefenen op beslissingen over particuliere investeringen. Naarmate de kostendruk toeneemt, zullen de marges van bedrijven waarschijnlijk opnieuw onder druk komen te staan, wat zal bijdragen aan een stijging van het aantal insolventies, nadat deze in 2025 weer op het niveau van vóór de pandemie waren gekomen. Deze verslechtering zal naar verwachting niet in alle sectoren even sterk zijn; de gevolgen zullen vooral merkbaar zijn in kwetsbaardere segmenten die sterk gevoelig zijn voor renteschommelingen en stijgende input- en energiekosten. De bouwsector springt in dit opzicht in het oog. Hoewel civieltechnische activiteiten en overheidsinvesteringen – met name in de uitbreiding van het elektriciteitsnet en andere infrastructuur in verband met de energietransitie – voor enige buffer zouden moeten zorgen, blijft de sector kampen met hoge materiaal- en arbeidskosten, een zwakkere vraag en de negatieve effecten van hogere rentetarieven op zowel projectfinanciering als de betaalbaarheid van woningen. Als gevolg hiervan zullen de omstandigheden in de bouwsector waarschijnlijk tot en met 2026 en tot in 2027 uitdagend blijven.
De externe omgeving biedt slechts beperkte extra ondersteuning voor de groei. De handelsvooruitzichten voor 2026 en 2027 blijven uitdagend, aangezien de groei van de Europese en mondiale handel wordt geremd door een bredere economische vertraging. Bovendien zal het geleidelijke effect van de Amerikaanse invoerheffingen naar verwachting druk uitoefenen op de internationale handelsstromen, ook al is Nederland hier minder direct aan blootgesteld dan sommige andere zeer open Europese economieën. Ondanks deze tegenwind zullen de exportprestaties naar verwachting blijven profiteren van de sterke positie van Nederland in sectoren met een hoge toegevoegde waarde. Met name de robuuste vraag naar IT-apparatuur en de diepgaande integratie van het land in mondiale waardeketens op het gebied van halfgeleiders en kunstmatige intelligentie zullen naar verwachting belangrijke bronnen van veerkracht blijven. Deze sectoren zouden de zwakkere prestaties in meer conjunctuurgevoelige handelsgebieden moeten helpen compenseren, waardoor de export op middellange termijn een bescheiden maar stabiliserende bijdrage aan de groei kan leveren.
Het overheidstekort zal opnieuw toenemen, maar binnen de Maastricht-drempels blijven
Het overheidstekort zal naar verwachting op middellange termijn op een hoog niveau blijven. Na een verdere toename in 2024 en een piek in 2025 – het hoogste niveau in meer dan tien jaar, buiten de pandemie om – zal het begrotingssaldo in 2026 opnieuw verslechteren, om vervolgens in 2027 enigszins af te nemen. Ondanks dit verloop wordt Nederland nog steeds beschouwd als begrotingsdisciplinair, waarbij zowel het tekort als de overheidsschuld binnen de Maastricht-drempels blijven. De tijdelijke toename in 2026 is het gevolg van een combinatie van structureel lagere inkomsten als gevolg van belastingverlagingen gericht op huishoudens met lagere inkomens en geleidelijk stijgende uitgaven. De overheidsuitgaven zullen naar verwachting gedurende de prognoseperiode blijven stijgen, aangedreven door aanhoudende uitgaven voor defensie en gestaag stijgende kosten voor sociale zekerheid en gezondheidszorg. Naarmate sommige tijdelijke druk afneemt en maatregelen aan de inkomstenzijde effect sorteren, zou de begrotingsconsolidatie in 2027 moeten hervatten, zij het in een geleidelijk tempo.
Het Nederlandse overschot op de lopende rekening zal naar verwachting zowel in 2026 als in 2027 verder toenemen. Hoewel het overschot op de lopende rekening in 2025 licht afnam, bedroeg het ongeveer 8 % van het bbp – ondersteund door een overschot op de goederenhandel en een sterker overschot op de diensten – en de externe positie zal op middellange termijn solide blijven. Hoewel het primaire inkomenssaldo de afgelopen jaren was verzwakt als gevolg van het hoge renteklimaat, zullen lagere financieringskosten naar verwachting bijdragen aan een geleidelijke verbetering van deze component. Hoewel er onzekerheid blijft bestaan over de mogelijke impact van hernieuwde Amerikaanse handelsbeperkingen op de goederenexport, zal dit waarschijnlijk gedeeltelijk worden gecompenseerd door verbeterende primaire inkomstenstromen. Als gevolg hiervan zal het overschot op de lopende rekening naar verwachting licht maar aanhoudend toenemen in de periode 2026–27, wat de sterke externe positie van Nederland versterkt.
Nieuwe centrumcoalitie op wankele grond in Nederland
De algemene verkiezingen van oktober 2025 leverden een gefragmenteerd resultaat op, waarbij de centristische, sociaal-liberale D66 met 17% van de stemmen als grootste partij uit de bus kwam, nipt voor de extreemrechtse Partij voor de Vrijheid (PVV) onder leiding van Geert Wilders. De verkiezingen werden uitgeschreven nadat de vorige regering medio 2025 was gevallen als gevolg van meningsverschillen over het asielbeleid. Na langdurige onderhandelingen vormde D66 in januari 2026 een minderheidscoalitieregering samen met de conservatief-liberale VVD en het christendemocratische CDA, waarmee de partij 66 van de 150 zetels in de Tweede Kamer veiligstelde; voor de meeste wetgeving is externe steun nodig – een relatief ongebruikelijke regeling in het Nederlandse politieke systeem. De daaruit voortvloeiende coalitie wordt over het algemeen gekenmerkt als centrum tot centrumrechts.
De regering heeft zich ertoe verbonden een voorzichtig begrotingsbeleid te voeren, maar de beleidsprioriteiten wijzen op een geleidelijke stijging van de overheidsuitgaven. Met name de investeringen in defensie en huisvesting zullen naar verwachting stijgen, naast inspanningen om de landbouwsector te hervormen, waaronder mogelijke uitkoopregelingen voor boerenbedrijven. Om deze initiatieven te helpen financieren, heeft de coalitie plannen aangekondigd om de belastingen te verhogen, waaronder hogere heffingen op zowel het inkomen van particulieren als van bedrijven, terwijl tegelijkertijd bezuinigingen op de uitgaven voor gezondheidszorg en sociale zekerheid worden gesignaleerd (voornamelijk door hogere eigen bijdragen). Recente aankondigingen van aanvullende steunmaatregelen op energiegebied – ter waarde van ongeveer 1 miljard euro – als reactie op verstoringen in verband met de hogere energieprijzen als gevolg van de escalatie van het conflict tussen Iran, de VS en Israël, onderstrepen het voornemen van de regering om voldoende begrotingsruimte te behouden om indien nodig op crises te kunnen reageren.
Als minderheidsregering kampt de coalitie met aanzienlijke politieke beperkingen. De noodzaak om ad-hoc meerderheden in het parlement te verkrijgen van oppositiepartijen zal de goedkeuring van belangrijke wetgeving naar verwachting bemoeilijken, met name bij politiek gevoelige maatregelen zoals bezuinigingen en structurele hervormingen. Er blijft dan ook onzekerheid bestaan of de regering tegen het najaar van 2026 voldoende steun zal kunnen vergaren om haar volledige beleidsagenda uit te voeren. Deze beperkingen zullen waarschijnlijk het tempo en de reikwijdte van de hervormingen gedurende de prognoseperiode beperken. De volgende algemene verkiezingen staan gepland voor uiterlijk 2030, wat erop wijst dat politieke versnippering de komende jaren een structureel kenmerk van het Nederlandse politieke landschap zal blijven.

Duitsland
België
Frankrijk
Verenigd Koninkrijk
Verenigde Staten
China