De gematigde groei houdt alleen stand dankzij de stabiele koopkracht
De Belgische economie zal naar verwachting zowel in 2026 als in 2027 in een gematigd maar ingetogen tempo blijven groeien. De koopkracht van de huishoudens zal opnieuw worden ondersteund door de automatische indexering van lonen, pensioenen en sociale uitkeringen aan de kosten van levensonderhoud, wat een onderscheidend kenmerk van het Belgische systeem blijft. Dit mechanisme zou een belangrijke buffer moeten vormen tegen stijgende prijzen, maar de doeltreffendheid ervan zal gedeeltelijk teniet worden gedaan door een nieuwe stijging van de energieprijzen, die in 2026 de koopkracht zal beïnvloeden naarmate deze zich uitbreidt tot bredere inflatoire druk. Deze ontwikkelingen zullen het consumentenvertrouwen drukken. Tegelijkertijd biedt het begrotingsbeleid slechts beperkte ondersteuning. Aangezien de overheidsfinanciën al onder druk staan, heeft de regering weinig ruimte om de uitgaven te verhogen of gerichte steunmaatregelen voor huishoudens in te zetten, in tegenstelling tot haar rol tijdens recente crises. Hoewel Belgische huishoudens nog steeds over een relatief ruime spaarreserve beschikken, die de onmiddellijke impact van hogere prijzen zou moeten opvangen, zal een geleidelijke stijging van de werkloosheid naar verwachting het vertrouwen ondermijnen en de consumptiegroei afremmen. Bovendien zal de voortdurende verkrapping van zowel het begrotings- als het monetair beleid de reële binnenlandse vraag zowel in 2026 als in 2027 verder beperken, hoewel een afnemende inflatiedruk in 2027 voor iets meer groei zou kunnen zorgen.
Na een langdurige periode van margedruk in 2023–24 begonnen bedrijven een voorzichtige verbetering van de winstgevendheid te zien, wat een herstel van de particuliere investeringen ondersteunde. Dit herstel werd bevorderd door de eerste verlaging van de beleidsrente door de Europese Centrale Bank (ECB), waardoor de financieringskosten daalden en kapitaaluitgaven werden gestimuleerd. Niettemin bleken deze positieve ontwikkelingen onvoldoende om de scherpe stijging van het aantal bedrijfsfaillissementen tussen 2021 en 2025 te compenseren; het faillissementspercentage lag toen ongeveer 10% hoger dan vóór de pandemie. Voor de toekomst wordt verwacht dat stijgende operationele kosten – met name voor energie, intermediaire inputs en arbeid – steeds zwaarder zullen wegen op de marges van bedrijven en dat de indexering het kostenconcurrentievermogen zal aantasten. Bovendien zal een hernieuwde verkrapping van het monetaire beleid van de ECB de financieringsvoorwaarden waarschijnlijk verscherpen. Samen zullen deze factoren naar verwachting de winstgevendheid geleidelijk uithollen, de investeringsactiviteit afremmen en het aantal faillissementen in 2026 doen stijgen, waarbij de hoge niveaus tot in 2027 zullen aanhouden. In de bouwsector blijft de activiteit bijzonder gematigd: het aantal bouwvergunningen schommelt nog steeds op een laag niveau en de verslechtering van de sectorale omstandigheden zal naar verwachting aanhouden, waardoor de activiteit buiten het segment civiele techniek wordt beperkt.
De overheidsuitgaven zullen de komende jaren naar verwachting slechts in beperkte mate bijdragen aan de groei. De nieuwe regering heeft aangegeven de groei van de lopende uitgaven te willen beteugelen door middel van hervormingen op de arbeidsmarkt en in het pensioenstelsel, en door gedeeltelijke plafonds in te stellen voor loonindexatiemechanismen. Tegelijkertijd zal de samenstelling van de uitgaven verschuiven, waarbij hogere overheidsinvesteringen de economische activiteit enigszins zullen ondersteunen. Verhoogde defensie-uitgaven, in combinatie met aanhoudende investeringen in de energietransitie en digitale infrastructuur, zullen naar verwachting enige groei ondersteunen. De ruimte voor begrotingsversoepeling blijft echter sterk beperkt door de EU-procedure bij buitensporige tekorten, waardoor de overheid slechts in beperkte mate in staat is om de zwakkere dynamiek in de particuliere sector te compenseren. De vooruitzichten voor de export blijven uitdagend. De Belgische buitenlandse vraag wordt nog steeds gedrukt door de vertraging van de Europese en mondiale economie, terwijl de Amerikaanse invoerheffingen extra druk uitoefenen op sectoren die gevoelig zijn voor de handel. Bovendien maakt de farmaceutische industrie – een van de belangrijkste exportmotoren van België – een normalisatiefase door na een aantal uitzonderlijk sterke jaren in de onmiddellijke pandemie- en postpandemische periode. Als gevolg daarvan zal de exportgroei naar verwachting gematigd blijven en slechts een bescheiden bijdrage leveren aan de totale economische activiteit.
De nieuwe EU-procedure inzake buitensporige tekorten dwingt de regering tot matiging van de uitgaven
Het begrotingsbeleid van België in 2026–27 blijft sterk beperkt door het begrotingskader van de EU, nadat het land in de procedure bij buitensporige tekorten is opgenomen vanwege aanhoudende tekorten van meer dan 3% van het bbp. Volgens de herziene regels moet de regering het tekort jaarlijks met gemiddeld ongeveer 0,5 procentpunt van het bbp terugdringen, waardoor de ruimte voor discretionaire begrotingssteun wordt beperkt. Het in het voorjaar van 2025 gepresenteerde federale consolidatieplan beoogt het tekort tegen 2030 terug te dringen tot 3% van het bbp door middel van een cumulatieve inspanning van ongeveer 23 miljard euro (3,7% van het bbp), waarbij voornamelijk wordt ingezet op structurele hervormingen. Deze omvatten hervormingen van de arbeidsmarkt en het pensioenstelsel – zoals het beperken van de werkloosheidsuitkeringen tot twee jaar en het ontmoedigen van vervroegde uittreding – terwijl de automatische indexering van lonen en pensioenen ongewijzigd blijft. Vanaf 2026 worden hogere inkomsten verwacht uit een belastinghervorming, waaronder een nieuwe vermogenswinstbelasting van 10% op bepaalde financiële activa boven een jaarlijkse vrijstelling van 10.000 euro, naast besparingen door institutionele hervormingen. Niettemin zal het begrotingsbeleid in 2026–27 naar verwachting licht restrictief blijven, aangezien de federale overheid slechts verantwoordelijk is voor ongeveer de helft van de totale overheidsuitgaven en de coördinatie tussen de regio’s beperkt is, waarbij de steun voornamelijk gericht is op investeringen in defensie, de energietransitie en digitale infrastructuur.
De lopende rekening van België zal in 2026 en 2027 naar verwachting slechts marginaal verbeteren. Hoewel de handelsbalans voor goederen mogelijk profiteert van iets gunstigere ruilvoetvoorwaarden, blijft de exportprestatie onder druk staan door de zwakke Europese en mondiale vraag, aanhoudende handelsonzekerheid en Amerikaanse invoerheffingen. Bovendien zet de normalisering in de farmaceutische sector zich voort na een aantal uitzonderlijk sterke jaren na de pandemie. De export van diensten en het primair inkomen zullen waarschijnlijk een ondersteunende rol blijven spelen, maar de totale netto-export zal waarschijnlijk slechts een bescheiden bijdrage leveren aan de groei.
België heeft voorlopig een stabiele regering
Na de federale verkiezingen van 2024, waarbij de rechtse Nieuwe Vlaamse Alliantie (N-VA) als grootste partij uit de bus kwam, werd uiteindelijk in januari 2025 na langdurige onderhandelingen een regering gevormd. De daaruit voortvloeiende vijfpartijencoalitie – bestaande uit de N-VA, CD&V (Vlaamse christendemocraten), Vooruit (Vlaamse sociaaldemocraten), MR (Franstalige liberalen) en Les Engagés (Waalse centristen) – staat bekend als de „Arizona“-coalitie. Ondanks haar brede ideologische spreiding neemt de regering een grotendeels centristische positie in en opereert zij onder aanzienlijke beperkingen, met name de EU-procedure bij buitensporige tekorten en sterke tegenstand van de vakbonden. Binnen deze grenzen is de coalitie erin geslaagd een begroting goed te keuren en een eerste reeks structurele hervormingen door te voeren, waaronder wijzigingen in de werkloosheidsuitkeringen, pensioenen, elementen van loonindexering en de invoering van een vermogenswinstbelasting, gericht op het verbeteren van de begrotingsvooruitzichten. Niettemin blijft de beleidsruimte beperkt. Deze maatregelen zullen naar verwachting de stijgende defensie-uitgaven en de toenemende demografische druk slechts gedeeltelijk compenseren, terwijl de gefragmenteerde parlementaire basis van de regering de ruimte voor verdere ingrijpende hervormingen beperkt.
De vooruitzichten voor institutionele hervormingen zijn gemengd. De geplande afschaffing van de Senaat heeft relatief brede steun gekregen in het hele politieke spectrum, aangezien verschillende partijen zich eerder al voor een dergelijke stap hebben uitgesproken. De rol van de Eerste Kamer is de afgelopen decennia aanzienlijk afgenomen; de Senaat komt nu nog maar ongeveer tien keer per jaar bijeen. Voor afschaffing is echter een tweederde meerderheid in de Tweede Kamer vereist, waarover de Arizona-coalitie niet beschikt. Daardoor blijft de uitkomst van deze hervorming onzeker.
Voorlopig bevindt de regering zich nog in een relatief comfortabele positie en behoudt zij in de meeste peilingen een meerderheid. De impopulariteit van sommige voorgestelde maatregelen zou echter op termijn een bron van politieke wrijving kunnen worden en de samenhang in gevaar kunnen brengen. De volgende reguliere federale verkiezingen staan gepland voor 2029.

Duitsland
Frankrijk
Nederland
Verenigde Staten
Verenigd Koninkrijk
China